Er stond in het Nederlands Dagblad van vandaag een artikel van ene Aafke Romeijn, die ik niet kende, maar die enige bekendheid schijnt te hebben als muzikante en schrijfster. Het ging over hoe ze zich, met haar dochtertje, had laten dopen in de katholieke Kerk. Nou horen we op moment aan de lopende band van dat soort verhalen, maar dan gaat het meestal over heel jonge mensen. Aafke is van 1986. Ze was opgegroeid in een links-progressieve bubbel, zo schreef ze, dus had ze de nodige aarzeling moeten overwinnen voordat ze de stap naar de Kerk had durven maken.
Verderop in het artikel beschreef ze die aarzeling als een fenomeen dat eigenlijk wel een iets sterker etiketje had verdiend dan ‘aarzeling.’ Er was duidelijk een reële angst voor sociale vervreemding geweest, de angst verwijderd te raken van familie en vrienden. Die angst had haar er langdurig van afgehouden om haar nieuwsgierigheid naar de katholieke traditie de vrije teugel te geven. Sterker nog: ze had die nieuwsgierigheid de hele tijd zorgvuldig verborgen gehouden, terwijl ze verder gewend was haar halve leven te delen in haar creatieve uitingen, muziek en schrijverij.
“Erover schrijven maakte me nerveus, want bekennen dat je niet onwelwillend staat tegenover religie is, in de links-progressieve bubbel waarin ik me doorgaans bevind, alsof je toegeeft stiekem op je politieke tegenstander te stemmen. Het wordt in het beste geval niet begrepen, in het meest waarschijnlijke geval ronduit afgekeurd.”
Dit is inderdaad geen aarzeling. Dit is angst. Een aarzeling is een stapje terugdoen. Nog eens even goed kijken of dat wat je fascineert wel is wat het is. Angst doet iets veel fundamentelers. Het vouwt je op jezelf in en verhindert je je te ontplooien. Angst ontzegt je de vrijheid om te onderzoeken wat je fascineert, je vrij te uiten, creatief te zijn, je te verwonderen. En de angst niet meer te worden geaccepteerd door de groep waarin je je veilig voelt is wel een van de meest intense soorten die er zijn. Aafke schrijft:
“In mijn opvoeding stond zelfstandig en authentiek denken centraal, en steeds weer hoorde ik de stemmen van mijn ouders en juffen en meesters in mijn hoofd, die me vertelden dat ze me toch beter hadden geleerd dan kritiekloos een instituut te volgen in eeuwenoude gebruiken en woorden. Als ze mij zo zouden zien, in de kerkbanken, dan zou dat een enorme teleurstelling voor hen zijn, alsof ze me kwijt waren geraakt aan een sekte of een gewelddadige relatie.”
Eigenlijk een passage die zo ironisch uitpakt dat hij zo uit een absurde komedie lijkt te zijn ontsnapt. Een extraverte, creatieve alleskunner durft al haar hele bestaan een leven te leiden waarin, zo schrijft ze zelf, van alles met de hele wereld deelt. Maar dan verkrampt ze plotseling. Omdat haar nieuwsgierigheid haar naar de wortel en de bron heeft geleid van de hele cultuur waar ze al haar hele leven zo uitzinnig uiting aan geeft. Omdat ze de stemmen van haar opvoeders in haar hoofd hoort “die me vertelden dat ze me toch beter hadden geleerd dan kritiekloos een instituut te volgen in eeuwenoude gebruiken en woorden.” Aafkes opvoeders hadden haar - ongetwijfeld met de beste bedoelingen en onbewust - geleerd in alle vrijheid kritiekloos hun eigen vanzelfsprekende gebruiken en woorden te volgen. Hun eigen traditietje. En dat zette zich nou eenmaal af tegen de grote traditie, die daarmee ergens onderweg van fundament tot verboden vrucht was geworden.
Het lijkt nou alsof ik die mensen wil aanvallen of Aafke zelf een gebrek aan lef wil verwijten. Maar uiteindelijk is het eigenlijk allemaal gewoon goed afgelopen. Zelfs haar uitgesproken antikerkelijke vader zat uiteindelijk in de Kerk en trok de enige juiste conclusie: “Ik ben blij dat het me gelukt is om autonoom denkende kinderen op te voeden, en dat jullie de vrijheid voelen om te kiezen voor wat bij je past.” Die formulering zou je toch weer als zelfingenomen kunnen lezen, maar de context ervan doet eerder een verwonderd leermomentje vermoeden.
Er is hier nog een andere vorm van ironie aan het werk, een waarvan ik hoop dat Aafke er niet al teveel last meer van zal krijgen. Want de katholieke Kerk waar ze zo moedig is binnengegaan is in feite in hetzelfde bedje ziek als haar onderwijzers en familieleden waren. We hebben zestig jaar ondankbare onttovering en zelfsecularisering achter de rug. Het lawaai van de cognitieve dissonantie was niet te harden, en is nog lang niet écht verstomd. De grote katholieke traditie is tot verboden vrucht geworden om een nieuw bedacht en altijd breekbaar gebleven illusietje koste wat het kost heel te houden. Natuurlijk zijn daar allerlei redenen voor waarvan er een aantal heel begrijpelijk zijn. Maar met zijn allen honger lijden omdat de koelkast taboe is verklaard en in de verkramping verstarren in naam van de vrijheid maakt niemand gelukkig. Niet binnen en klaarblijkelijk ook niet buiten de Kerk.