Er is nauwelijks een grotere verandering denkbaar dan die welke van een mens gevraagd wordt wanneer hem, zoals in het Nieuwe Testament, geboden wordt de wereld niet lief te hebben, noch hetgeen in de wereld is. Dat gebod raakt immers alles wat hem dierbaar is en komt daarom bijna neer op een oproep tot zelfvernietiging.
Toch plaatst dezelfde openbaring die zo’n grote gehoorzaamheid van ons vraagt, ook een even groot middel tot gehoorzaamheid binnen ons bereik. Het Evangelie brengt een nieuw verlangen aan de deur van het hart, dat, zodra het eenmaal de troon heeft ingenomen, alle voorgaande bewoners zal verdringen of onderwerpen. Het richt het oog van de ziel niet alleen op de wereld, maar ook op Hem Die de wereld gemaakt heeft. En dat doet het op een geheel eigen wijze: in het Evangelie wordt God geopenbaard als Iemand Die wij mogen liefhebben.
Alleen daar wordt God voorgesteld als het Voorwerp van vertrouwen voor zondaren. Alleen daar wordt het verlangen naar Hem niet verstikt door de koude moedeloosheid die ontstaat door de barricade van onze schuld — die altijd tussenbeide komt wanneer wij niet tot Hem naderen door de Middelaar Die Hij heeft aangesteld. Het is door “de aanleiding van deze betere hoop, dat wij tot God naderen” (Hebr. 7:19). Want een leven zonder hoop is een leven zonder God; en waar het hart zonder God is, daar krijgt de wereld de overhand.
Lees de hele preek op www.tabernakel.nl