Parasja Vaera
Torah: Exod. 6:2-9:35
Haftara: Ezechiël 28:25-29:21
Brit Chadashah (NT): Openbaring 16:1-21
De strijd om de erkenning van de Naam
De Eeuwige is van verre tijden af al verschenen. Parasja Vaera die deze week aan de orde is, zegt het: En Ik ben verschenen. Daarmee spreekt de Aanwezige over Zichzelf. In Ex. 6:2 (HSV) lezen we: Ik ben aan Abraham, Izak, en Jakob verschenen als God de Almachtige, maar met Mijn Naam JHWH – de Ik-ben – de Aanwezige - ben Ik hun niet bekend geweest. God is verschenen als de El Shaddai.
De plagen over Egypte waren gelegitimeerd en hebben de bedoeling om de Naam JHWH - de Aanwezige - bekend te maken aan het volk Israël én aan de Egyptenaren. Egypte is type van de wereld. De plagen betekenden voor die Egyptische samenleving een complete vernietiging. De bevrijding van Gods volk uit de dienstbaarheid ging niet zonder slag of stoot. Daarom is deze bevrijding ook een strijd tussen de geestelijke machten en de Almachtige. Een strijd waarvan de uitkomst vooraf vast staat. Niettemin, ieder mens heeft een eigen verantwoordelijkheid. De farao wordt gevraagd om de Naam te erkennen door de vrijlating van het volk. Hij volhardt in het weigeren en verhard daardoor. Dat is wat er gebeurt als we alle roepstemming in de wind slaan en eigen baas willen blijven.